19-21 mei 2017 – Weekend Beauvoorde

Ons laatste weekend samen dateert reeds van 2013.  Toen maakten we Zeeuws-Vlaanderen onveilig met onze strooptocht. Waren we toen maar met 12, dit keer trokken we met een mooie groep met 19 deelnemers naar het pittoreske dorpje Vinkem vlak naast het kasteel van Beauvoorde.

Spijtig genoeg moesten we daardoor de Belgian Pride missen op zaterdag 20 mei.  Maar uit goede bron vernam ik dat Liever Gelijk daar toch nog door een aantal personen was vertegenwoordigd.

We hadden ook geluk met ons logement, het Kapelhof.  Rustig gelegen naast de dorpskom, afgezien van het gratis kikkerconcert elke avond, bood het alle comfort, rust en gezelligheid.

Vrijdagnamiddag kwamen de organisatoren reeds toe, met hun wagens volgeladen met etenswaren, drank en nog eens drank.

Sommige vroege vogels begonnen reeds buiten op ons terras aan een gezelschapsspelletje.  Langzaamaan werd ons groepje voltallig, totdat het tijd was om te gaan aperitieven.  Hans had voor smakelijke broccolisoep gezorgd en had zeer lekkere spaghettisaus, naar eigen recept, meegebracht.  En met tiramisu als toetje, was alles perfect afgerond.

Naar voorbeeld van vroegere weekends, maakten we een avondwandeling om de omgeving eens te verkennen.  Toen de cafébazin van het enige cafeetje dat het dorp rijk was, ons zag afkomen, deed zij toch maar snel de rolluiken naar beneden.  Waarschijnlijk was dat toeval.

In de avondschemering maakten we nog een rondje rond het kasteel dat we de volgende dag zouden gaan bezoeken. Terug thuis in ons logement, begonnen we aan onze gezelschapsspelletjes vergezeld van een glaasje.  Sommigen konden maar niet stoppen en ’s anderendaags bleek dat zij tot half 3 ’s nachts hadden doorgespeeld.

Aan ons schema mocht niet getornd worden.  Om 8 uur ontbijt en om 10 u dienden we reeds present te zijn in ’t Hof van de Hemel in Veurne, voor nog eens een koffietje en een koffiekoek.  De vriendelijke bazin gaf ons een korte uitleg over haar gezellige kroeg.

Om 10u30 werden we aan Toerisme Veurne, het vroegere “Landshuis” opgewacht door Stefan, onze gids doorheen Veurne. Het Landshuis, nu toeristische dienst, was vroeger de bestuurlijke zetel van Veurne-Ambacht (Kasselrij). Na de Franse Revolutie en de afschaffing van het kasselrijbestuur werd het Landshuis omgevormd tot gerechtshof.

Met hem trokken we doorheen dit gezellige stadje. Het wapenschild van Veurne is een leeuw met een klavertje op zijn schouder.  Volgens Stefan verwijst dit naar de vele weiden (met klavertjes) in de omtrek.  Veurne lag tijdens WOI achter het front, daardoor werd het stadje bijna geheel gevrijwaard van vernielingen en bombardementen.  Zo werd het ook korte tijd de hoofdstad van België omdat Albert I er verbleef.  Stefan leidde ons via een doorgang tussen het Stadhuis en het Landshuis naar het nieuw aangelegde park met zijn “Mote”, een verhoging waar vroeger een kleine burcht had gestaan. Ereburger van Veurne, de schilder Paul Delvaux, stond in dat parkje in steen vereeuwigd.

Van daaruit ging het naar de Zwarte Nonnenstraat waar hij ons het oudste huisje (1570) van Veurne toonde. Voorheen de oude herberg “Drie Koningen”, werd dit de woonst van kunstenaar José Van Gucht en zijn atelier. Als “Muzekot” werd het gedurende enkele jaren de place-to-be voor progressieve Veurnese jongeren.  Later werd dit een kunstgalerij. Nu was het blijkbaar weer een gewone woning, want de goot ernaast werd grondig geveegd door de nieuwe bewoner, zoals later bleek.

Stefan liet ons typische woningen uit de Oostenrijkse periode zien, te herkennen aan hun fronton. Hij leidde ons doorheen de Sint-Walburga kerk, met haar allures van een (onafgewerkte) kathedraal.  Op de Grote Markt vroeg hij van 4 huisjes op een rij, welk nu het meest authentieke was.  Het bleek het uiterst linkse (Brasserie Flandria) te zijn, waar Will Tura, ook afkomstig uit Veurne, regelmatig een pint zou drinken. Bij ons bezoek aan het kasteel van Beauvoorde, later die dag, wisten we nog de typische kenmerken van de regionale Vlaamse Renaissance: trapgevel, gele bakstenen, ankerijzers en “altaren” boven de vensters.

Dan nam hij ons mee naar het Stadhuis, vroegere Conciergerie van het Landshuis, waar hooggeplaatste personen indertijd aan tafel mochten plaatsnemen. De Albertzaal in het Stadhuis was het hoofdkwartier van Koning Albert I tijdens de Eerste Wereldoorlog. We bezochten enkel de benedenverdieping met zijn historische zalen met hun Mechels en Corduaans lederen wandbekleding.  Jozef II was er vereeuwigd in een schilderij.  Onze René had dat reeds gezien en de gids bevestigde dit.

Ik denk dat het “Blauwe Salon” in rococo ons wel het meeste aansprak. Naar ik meen, toch een stijl die bij ons past.

Daarna was het tijd om ons middagmaal te nuttigen en in Brasserie Excelsior werden we verwelkomd met zalm en kalkoenborst, eenvoudig, maar toch zeer lekker klaargemaakt. Frietjes in overvloed. Ik hoorde toch niemand klagen 😉

Dan stante pede terug naar ons verblijf waar we verwacht werden op het kasteel van Beauvoorde.

Onze gidse, Lut, verwelkomde ons en vroeg al dadelijk wat voor vereniging wij waren.  Bij het antwoord van Frank, dat wij een holebigroep waren, bleef zij heel neutraal en liet niets merken wat zij hierover dacht.

Zij ging dadelijk tot de kern van de zaak over en vertelde met veel kennis over de eigenaars van het kasteel en vooral over de laatste, nl. Arthur Merghelynck, die het kasteel eind 19e eeuw kocht.  Hij verbouwde het kasteel en gaf het interieur een 17e eeuwse look.

Arthur was een verwoed antiekverzamelaar en het kasteel werd dan ook zijn uitstalraam.  Zijn huwelijk met een gewoon burgermeisje bleef kinderloos.  Het feit dat zij in aparte kamers sliepen, zal daar “misschien” wel iets mee te maken hebben.

Hij werd amper 55 en schonk de meeste van zijn bezittingen aan de Belgische staat.

Alhoewel een kasteel, kwam de manier van leven (mij alleszins) toch een beetje oncomfortabel over.  De donkere (vaak toch niet erg grote) kamers, het eenvoudige toilet (een plank met een gat erin) op de koer en de primitieve “badkamer” ernaast, kunnen de vergelijking toch niet doorstaan met de Art-Nouveau stijl die eind 19e eeuw in de steden opgang maakte en het luchtige, de ruimte en het licht benadrukte.

Daarna ging het richting Lo-Reninge, waar we een afspraak hadden met Jules Destrooper om bij hem op de koffie te komen.  Daar werden we ook heel warm onthaald. Onze gids, Jozef, leidde ons doorheen het bezoekerscentrum en wist veel te vertellen over “de tijd van toen”.

Hoe het allemaal begon in een eenvoudig kruidenierswinkeltje en hoe Destrooper uitgroeide van wafeltjes bakken op een Leuvense Stoof naar het internationale bedrijf van tegenwoordig.

We mochten achteraf het ganse assortiment koekjes proeven en bijna werd de fabriekswinkel door enthousiaste Liever Gelijkers helemaal leeggekocht.

Nadien terug richting Kapelhof waar we met een lekkere kaas- en wijnavond de dag mochten afsluiten.  Natuurlijk werden na het avondmaal de gezelschapsspelletjes (en de drank) weer bovengehaald.

De volgende dag, het ontbijt ietsje later, nl. om 8u30.  Het werd weer een stralende dag waarop we om 11u aan de Ijzertoren werden verwacht. Ja, inderdaad, wat konden we daar verwachten?  Niet dat we zo notoire flaminganten zijn, maar die toren heeft ons allemaal wel een beetje geïntrigeerd.

De IJzertoren (84 m hoog) is in de eerste plaats een herdenkingsmonument voor de Vlaamse gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, maar hij staat tegelijk ook symbool voor de aan de IJzer ontstane wil tot meer politieke verzelfstandiging van Vlaanderen.

Onze gids Walter bleek een man met het hart op de juiste plaats en met een bulderende stem om zijn ‘soldaten’ regelmatig eens tot orde te roepen.

Bij de restanten van de oude Ijzertoren gaf hij zijn uitleg over de drie “V’s”, nl. Vrede, Vrijheid en Verdraagzaamheid.  Vooral dat laatste is in onze tijd zeer actueel en hij verwees naar het fenomeen van pesterijen op school, waar ook één van zijn kleinkinderen het slachtoffer van was.  Als zijn eigen slachtoffer werd onze Toon uitgekozen, die dan ook regelmatig eens aan de tand gevoeld werd.

Binnen, na een filmpje over het leven in de loopgraven, waar we allen inderdaad erg stil van werden, moest Toon het woord ‘klaproos’ in verschillende talen vertalen.  Hij deed dat héél adequaat. Walter vertelde, dat hij vlaamsgezind werd na zijn legerdienst in Brussel, waar hij bij een tweetalige legerafdeling was gekazerneerd.  Nadien bracht hij ons met de lift naar de top van de toren waar we een prachtig uitzicht hadden over de streek.  Walter vertelde ons over WOI, de Ijzervlakte die onder water werd gezet en hoe dit allemaal in zijn werk was gegaan.  Nadien ging het in soldatenpas 22 verdiepingen naar beneden, waar we op elke verdieping geconfronteerd werden met een aspect van WOI, zoals de vluchtelingen, de gasaanvallen, het dagelijkse leven (en sterven) van de soldaten, de Vlaamse ontvoogdingsstrijd…

Eigenlijk zouden we nog een tweede keer moeten terugkeren om op ons gemak die verdiepingen nog eens te doen, met het commentaar van Walter in ons achterhoofd.

Nadien, aan de oevers van de Ijzer, mochten we genieten van een welverdiende picknick van de restjes van ons weekend.  We hadden honger en het smaakte ons allemaal.

Maar voordat we terugkeerden naar ons verblijf in Beauvoorde, gingen we, als toemaatje en vervolg op ons bezoek aan de Ijzertoren, toch nog ietsje verderop de “Dodengang” verkennen.

Zo sloten we ons weekend af.  Het was er een van samenhorigheid, van respect voor elk een, het was weer uniek, zoals het enkel bij Liever Gelijk kan voorkomen.

Doen we er volgend jaar nog eentje?

Maar als afsluiter nog een zeer dringend bericht: wil de eigenaar van het flesje poppers, Gold Rush, achtergelaten in een welbepaalde frigo in ons verblijf, zich vooralsnog kenbaar maken?

Dank U.  

Spring naar werkbalk