16 februari 2019 – Bezoek Stadspaleis d’Hane Steenhuyse

Een stadspaleis in hartje Gent, weer eens iets anders.  En dat in de Veldstraat, een gevel waar duizenden toeristen en shoppers elke dag voorbijkomen, zonder dat zij beseffen wat zich achter deze muren bevindt of wat er zich heeft afgespeeld.

Met 34 Liever Gelijkers maakten we onze opwachting in dit historische pand.  Omdat we met meer dan 20 waren, moesten we noodgedwongen 2 gidsen nemen.

Met gidsen is het zoals met dates, je weet nooit wat je gaat ontmoeten. Het kan meevallen, het kan tegenvallen.

De eerste groep die de mannelijke gids ter beschikking had, bleek niet zo tevreden na de rondleiding.  De tweede groep mocht zich bij de gelukkigen prijzen, want Kathy, onze vrouwelijke gids bleek wel een beetje meer troeven in haar mars te hebben.

Zij nam ons eerst mee naar de tuin van het stadspaleis d’Hane Steenhuyse, waar zij haar rondleiding begon.  Weinigen weten dat, maar de tuin is altijd toegankelijk, voor het geval je een rustig moment tijdens je drukke shopping activiteiten wilt inlassen.

Haar eerste vraag aan ons was, welke stijl de voorgevel had.  Onze kunstgeschiedenis deskundige van dienst, David, wist meteen, dat het Rococo was. De achtergevel daarentegen was in Classicistische stijl opgetrokken, heel strak, in tegenstelling tot de flamboyante voorkant.

De Veldstraat, Rue des Champs, inderdaad vroeger zat je hier te midden van de velden, de buiten, moerasgronden. In de 18e eeuw kwam daar verandering in door de opkomst van de industrialisatie.

Men stapte af van de Middeleeuwse wol en stapte over naar het katoen, dat toen de hype werd.  Het huis waar we in eerste instantie samenkwamen, aan de overkant, was er eentje van de nieuwe rijken, de nouveaux riches.  Door die industrialisatie kwam er een nieuwe stand, de burgerij.

Het huis d’Hane Steenhuyse was er echter eentje van aloude adel.

De tuin is voor een adellijke familie redelijk klein, maar dat is volgens Kathy heel eenvoudig uitgelegd, zij gebruikten dit slechts als winterresidentie.

Maar voordat we het stadspaleis binnengingen, leidde Kathy ons eerst terug naar het huis aan de overkant.  Dit huis behoorde toe aan de eigenaar van de eerste katoendrukkerij uit die 18e – 19 e eeuw.

In de ruimte waar we stonden, leek het een beetje bibliotheekachtig, een beetje op een archief.  Inderdaad, hier stond Maurice Maeterlinck centraal.  Maurice Maeterlinck was de enige Belg die de Nobelprijs voor Literatuur ontving in 1911.  René opperde echter dat Emile Verhaeren daarvoor ook in aanmerking was gekomen, klopt inderdaad, maar in feite is het bij een nominatie gebleven.  Beiden schreven in het Frans.

Maurice was echter geen Sant in eigen land.  Hij heeft lang in Nice gewerkt en gewoond.  Vele Gentenaars kennen hem niet. Maar Kathy vertelde, als zij gidst voor mensen uit het buitenland, zelfs uit China, dat zij hem wel kennen.  Waar bij ons Le Petit Prince opgelegde literatuur is in het middelbaar, is Maurice dit in het buitenland.  Zijn sprookje van De Blauwe vogel (l’Oiseau Bleu) is internationaal gekend en zelfs verfilmd met Elisabeth Taylor in een van de hoofdrollen.

De ingebouwde bibliotheekkast werd zelfs verhuisd van zijn huis in Nice naar dit pand in Gent.  Op die manier probeerde Gent één van zijn “beroemde” zonen toch enigszins te eren.

Kathy nam ons dan mee naar de ruimte daarnaast.  Deze was één van de 6 Chinese  Salons die Gent rijk is, maar we stonden, volgens haar wel in een van de meest chique.  Het behang was immers niet van gewoon papier, maar uit zijde.   Het was een voorstelling van de keizer die ergens op bezoek kwam en Kathy daagde ons uit om de keizer te vinden.  Bleek dat hij verstopt zat in een draagstoel. De keizer afbeelden bracht immers ongeluk en daarom mocht hij niet zichtbaar afgebeeld worden.  We zouden hem dus nooit gevonden hebben.

Dan mochten we terug naar het eigenlijke stadspaleis waar Kathy ons via de zeer ruime inkomsthal naar het salon loodste.  We hadden daar zicht op de Veldstraat, maar we stonden wel een beetje hoger dan het plebs dat daar voorbij kwam.  Het is een achthoekig salon en we zagen allerlei taferelen met engeltjes, de natuur …  en volgens Kathy was dit een echte etalage om te tonen wat de familie allemaal bezat.

Het gewone volk kwam hier dikwijls letterlijk opkijken naar die adel, een beetje de “Mooi en Meedogenloos” van die tijd.  Er werd veel gegeten, gedanst, de dames droegen hun chique toiletten en pronken met hun juwelen …

Kathy wees ons ook op de centrale verwarming met warme lucht die uit openingen in de muur kwam.  Dit was het eerste huis in Gent dat centrale verwarming had.

Vader d’hane Steenhuyse was een internationaal gekend, politiek figuur.  Met als gevolg dat zelfs de toenmalige tsaar hier is komen logeren.  De broer van Napoleon en ook de Franse koning Louis 18 waren hier eveneens te gast.  Deze laatste man was groot en imposant.  Een drietal weken logeerde hij hier omdat hij op de vlucht was voor Napoleon.

Hij zat in het salon regelmatig te eten en mensen zagen ook de enorme hoeveelheden voedsel die hij allemaal naar binnen werkte.  Door dat eten zat hij ook letterlijk te zweten en daarom werd hij in het Gents Lodewijk die zwiet (die zweet) (ipv dix-huit) genoemd.

Dan via het volgende kamertje, een entre-chambre, letterlijk een tussenkamertje terug naar de grote trappenhal. De trap is heel ruim en breed, aangepast naar de toenmalige mode toen de dames nog heel ruime hoepelrokken droegen.

Kathy nam ons ook mee naar boven naar de “appartementen” van de vroegere bewoners.

Hier bevonden zich een 5-tal appartementen.   Meestal was dat een slaapkamer en nog een extra kamer waar je nog iets anders kon doen, een bureel, een muziekkamer of een kamer voor de kinderen.  De vloeren boven waren minder luxueus dan de parketten en marmeren vloeren beneden.  Niet iedereen kwam immers naar boven.

Wat Kathy ons ook wou laten zien, was het principe van de “enfilade”

In architecturaal verband bedoelt men ermee een reeks ineenlopende vertrekken waarbij de deuropeningen in elkaars verlengde liggen op een lange doorlopende as, zodat een doorkijk mogelijk wordt. Daardoor vermijdt men smalle gangen die de lokalen met elkaar verbinden.

Zo kwamen we in de muziekkamer van “Madame”.  Een kleine anekdote:  zij had blijkbaar een hekel aan pianostemmen, zodat iedere keer als de piano ontstemd geraakte, zij een nieuwe liet plaatsen.

In een volgende kamer kwamen we in een soort bureauruimte.  Het appartement van Madame was natuurlijk wel wat groter dan de andere.  Zij zat hier dan ook vaak met vriendinnen samen. Wat opviel was, dat er toch heel wat schilderijen bij elkaar hingen.  Iets wat nu niet meer gedaan wordt, maar toen was dat blijkbaar mode.

Vervolgens de slaapkamer van Madame, het bedje viel toch wel wat klein uit. Blijkbaar sliepen Monsieur en Madame niet samen, want Monsieur had zijn eigen vertrekken. Naast haar bed hingen precies een reeks worsten, bleek dat deze verbonden waren met bellen om haar persoonlijke meid, die daarboven woonde, op te roepen.

Via het opsmukkamertje van Madame, met typisch ingemaakte kasten en het deurtje voor de meid, terug via de grote hal richting kinderkamer en woonruimtes van Monsieur.  Kathy vroeg ons onderweg waarom de lamp in de vestibule zo hoog hangt?  Ze vertelde ons, moest ze immers lager hangen, dan zouden de kaarsen door de tocht van de ingang voortdurend uitgeblazen worden.

Dit gezegd zijnde, via een ander Chinees Salon, dit keer niet in zijde, maar in gewoon papier, kwamen we via de imposante balzaal in het appartement van Monsieur.  Volgens Kathy was het niet zo’ne “snellen”, maar ja smaken verschillen.

Dan terug naar beneden, naar de kelder waar zich de keuken bevond. Wat opviel, waren de ruime wijnkelders.

Als een soort hoogtepunt, mochten we de indrukwekkende balzaal bezoeken, maar daarvoor moesten we wel vloerbeschermers aantrekken om het luxueuze parket niet te schenden. En glijden dat we deden over het gladde parket!

Daar kwamen we onze tweede groep weer tegen.

We spraken af om in de A-pluss als afsluiter nog samen een glaasje te gaan drinken.  Sommigen verkozen echter hun eigen weg te gaan of om terug huiswaarts te keren.

Maar met toch nog 24 man zakten we af naar de op dit ogenblik in Gent meest populaire gay kroeg.  Daar vervoegde Kris nog ons gezelschap en niet veel later kwam er nog een Oosterse prins binnenwandelen 😉

Sommigen wouden nog gaan eten en met 17 man trokken we richting Sleepstraat om ginder nog een hapje te bemachtigen.  Natuurlijk met zo’n bende is het niet gemakkelijk om voor allen samen een plaats te vinden, zelfs niet in de Turkse grootkeukenrestaurants. Daarom moesten we ons noodgedwongen splitsen.  Een groepje ging naar de Turken en een ander naar de Indiër aan de overkant.   Eigenlijk tof dat dit initiatief vanuit de basis genomen werd.  Anders zou het voor zo’n grote bende onbegonnen werk geweest zijn om vooraf nog iets te vinden. Maar ja, dat is de prijs van het succes.

Waren de gidsen misschien niet je dat, we hebben weer genoten van elkaars gezelschap en voor menigeen maakte dat de dag meer dan goed.

 

 

 

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Spring naar toolbar